De wonderlijke rechtswereld in Alkmaar (5)

Hoe de vice-president van de Rechtbank Alkmaar al jokkend de schrijver van deze blog een publicatieverbod oplegde... en een griffier opdook die in geen enkele andere rechtszaak traceerbaar is.

Vonnis 5 Juli 2012 - Zaaknummer 137892 / KG ZA 12-177, rechter mr.A.H. Schotman
download hier

Inleiding
Op 25 juni 2012 word ik door het bestuur van de woningbouwvereniging Beter Wonen opnieuw voor de rechter gedaagd. BW wil dat ik ophoud op deze blog door te gaan met het schrijven van kritische artikelen over het wel en wee in en om de woningbouwvereniging. In de 22 artikelen - elders op deze blog te lezen – zou volgens BW sprake zijn van onrechtmatig handelen en aantasting van de eer en goede naam.

In de afweging tussen het recht op vrije meningsuiting en het verbod op smaad en laster kiest de rechter, de mij inmiddels bekende mr. A.H. Schotman (zie afl. 1), opnieuw de kant van Beter Wonen. Hij verbiedt mij om in de publiciteit te treden met ’onjuiste, niet op feiten gebaseerde, de vereniging, het bestuur en mevrouw xxxx (de inmiddels voormalige boekhoudster, bl) beschadigende uitlatingen’ en gelast mij tevens een rectificatie te plaatsen. Ook hangt hij dwangsommen van 1000 euro per overtreding aan het vonnis.

Analyse

1. Ook nu weer is sprake van een merkwaardige zaak. Het begint allemaal met een plotselinge rechterswisseling. Op de rol staat de naam van mr. H. Warnink. Vlak voor de zitting word ik gebeld door de rechtbank met het verzoek om de zitting te verplaatsen naar het eind van de middag.
Verrassenderwijs stapt een andere rechter de zaal binnen, namelijk het hoofd van de afdeling mr. A.H. Schotman. Hij introduceert zichzelf met de mededeling dat de eerst aangewezen rechter al een zaak met dhr. Lankester heeft behandeld. Vandaar de wisseling.
Een opmerkelijke verklaring van de rechter. Immers, ook mr. A.H. Schotman heeft beide partijen al eerder in een geding gezien, namelijk op 4 januari 2010 (zie dl. 1). Is er misschien een andere reden waarom hij deze zaak te elfder ure overneemt?

2. Gezien het groot aantal blogartikelen dat in het geding is, en de noodzaak tot bewijs – welke zijn onjuist en beledigend en welke niet? – leent ook deze zaak zich niet voor een kort geding. Toch verwijst de rechter de zaak niet naar de bodemrechter.
Opnieuw behandelt mr. A.H. Schotman, net als in januari 2010, een complexe zaak in een kort geding.

3. Mijn advocaat betoogt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en dus een kort geding niet de geëigende weg is. Al ruim een maand voor de zitting zijn de artikelen van mijn blog verwijderd. Weliswaar zijn ze daarna doorgeplaatst, door een sympathisant, op de site ’Doofpotten gekraakt’, maar met die site heb ik niets te maken.
De rechter stelt echter dat ook na een maand(!) nog steeds sprake is van een spoedeisend belang. En nu komt het: ’Bovendien heeft Lankester ter zitting gezegd dat hij wil doorgaan met het schrijven van artikelen als onderhavige.’ Dit heb ik helemaal niet gezegd en daar zijn verschillende mensen getuige van geweest! 
Wat is hier wel over gezegd? De rechter suggereert dat ik mijn stukjes in het vervolg 'wat minder pittig zou kunnen kruiden'. Wat hij daarmee bedoelt weet ik niet, maar hij lijkt daarmee wel voor te sorteren op een afkeuring danwel veroordeling. Op advies van mijn advocaat zeg ik dat mij dat prima lijkt.
Conclusie: Mr. Schotman jokt en in het karige proces-verbaal, dat ik naderhand van deze zitting heb opgevraagd, is over deze vermeende uitspraak van mij helaas niets te vinden. 

4. Opmerkelijk zijn de uitgangspunten die de rechter in het begin van zijn vonnis noemt. Waarom het ontslag van de raad van toezicht (2.2) een relevant punt is, is mij niet duidelijk. Opvallend is dat mr. Schotman wel het kort geding van januari 2010 noemt, maar het door hem geschreven vonnis buiten beschouwing laat. 
Dan rept hij wel weer van het voorlopige vonnis van juli 2011, waarin de RvT haar kosten vergoed wil krijgen (zie dl.3), en van de zaak tegen mij en Liesbeth Hinkema (zie dl. 2), in augustus 2012. Vooral de laatste zaak is interessant, vanwege de gele kaart die wij kregen:

Lankester c.s. moeten wel beseffen dat als zij voortgaan op, wanneer zijn  voortgaan met het doen van publieke uitlatingen als de onderhavige, de balans naar de andere zijde kan doorslaan, met alle gevolgen van dien.

In 2.6 gaat de rechter over tot behandeling van de artikelen op mijn blog.
Conclusie: door twee zaken die los van elkaar staan, aan elkaar te verbinden kan de rechter van de gele kaart een rode maken. 

5. Vervolgens komt de rechter bij de site ’Doofpotten gekraakt’. Eerst stelt hij dat, nadat ik mijn artikelen op 5 mei 2012 van de site heb gehaald, deze niet meer door anderen te kopiëren zijn. De rechter vergeet te melden dat ik al een dag eerder schrijf over de dreiging en dat de stukken reeds vanaf februari 2012 op de site zijn geplaatst, de laatste (nr. 22) op 3 mei. Derden hebben dus ruim de tijd gehad al mijn stukken te kopiëren.
Daarna noemt de rechter een twitterbericht waarin ik aankondig dat mijn blog niet op slot gaat. 1 + 1=2, moet de rechter hebben gedacht. Lankester moet zelf op enigerlei wijze de hand hebben gehad in ’Doofpotten gekraakt’. De rechter citeert echter mijn tweet onvolledig: die eindigde namelijk met het webadres van mijn eigen site bartlankester.com (en dus niet met ’doofpottengekraakt.com’).
Conclusie: mr. Schotman gaat opnieuw in de fout, citeert onvolledig en dicht mij zonder een splinter van bewijs een relatie met een andere website toe! 

6. Zijn Beter Wonen c.s. in hun eer en goede naam aangetast? De rechter vindt van wel in 4.6. Volgens hem schrijf ik onder meer dat het bestuur ’zich schuldig maakt aan fraude’.
Opnieuw jokt mr. Schotman er vrolijk op los. Nergens in de 22 artikelen heb ik geschreven over fraude door het bestuur! 

7. Langzaam werkt mr. Schotman toe naar de grande finale. In 4.9., waarin hij een aantal feitelijke onjuistheden wil aantonen, gaat hij aan cherry picking doen. Niet alle 22 artikelen stelt hij aan de orde, maar slechts een handvol. En daarbij is het mr. Schotman die de onjuistheden aan elkaar rijgt.
Zo heb ik geschreven dat het bestuur rapporten onder de pet houdt. Het eerste rapport is nooit door het bestuur verstrekt, daar besteedt de rechter geen aandacht. Het forensisch vervolgrapport leent zich volgens de opstellers niet voor integrale openbaarmaking. 
Maar wel, en dat noemt de rechter niet, zou een geanonimiseerde versie voor publicatie geschikt zijn!
Ook grijpt mr. Schotman zijn  eigen (omstreden) vonnis van 26 februari 2010 (zie dl. 1) aan om te beweren ’dat de voormalige Raad van Toezicht, waarvan Lankester deel uitmaakte, moeilijk kan volhouden dat zij goed werk heeft geleverd’. 
Hé, een uitspraak in kort geding is toch een voorlopige voorziening? Het heeft geen kracht van bewijs!

8. Wat mij echter met publiceren in de ’gevarenzone’ (wat is dat?) brengt, volgens de rechter in 4.10, is niet zozeer een ’feitelijk onjuist substraat’, maar ’veeleer het ontbreken van feitelijke onderbouwing, het in hoge mate suggestieve karakter van de gebezigde kwalificaties en de vele negatieve waardeoordelen’. Toe maar, je mag blijkbaar als publicist geen negatief waardeoordeel hebben, niet suggestief zijn, en als je een karrenvracht aan bronnen en bewijzen meelevert wordt daar niet serieus naar gekeken.  
En, het substraat was toch niet  ’feitelijk onjuist’?

9. Mr. Schotman neemt nog een paar passages bij de kop, waarbij hij mij niet alleen onjuist/onvolledig citeert, maar ook mijn onderbouwing volledig links laat liggen.
Dieptepunt in het betoog van de rechter is dat hij mij verwijt allerlei kritische uitspraken te doen over de rol van het bestuur in het fraudeonderzoek, terwijl een gepubliceerde samenvatting het bestuur zou vrijpleiten. 
Echter, toen ik het laatste artikel had geschreven (mei 2010), moest de bewuste samenvatting  van het rapport – een paar A4’tjes die trouwens meer verhullen dan verhelderen — nog verschijnen (juni 2010)!

10. Kan het nog erger? Jazeker. In 4.11 stelt mr. Schotman: ’Ook de overige in het geding gebrachte artikelen bevatten op een groot aantal plaatsen onjuistheden, beschuldigingen en suggestieve opmerkingen.’ Na een lijst met door hem uitgelichte citaten zonder context en bronvermelding stelt de rechter dat bij een lezer die de Beter Wonen niet kent, ’het beeld wordt opgeroepen van een woningbouwvereniging waarin onfrisse praktijken aan de orde van de dag zijn’. Inderdaad, dat beeld klopt en dat vind ik nog steeds. Het verhaal moet verteld worden en de bewijzen ervoor liggen torenhoog opgestapeld.
Maar ja, met bewijzen kun je losjes omgaan in een kort geding. En dat is precies wat mr. Schotman heeft gedaan. 



*             *             *



Net als de zaak over de vergoeding van de kosten wordt ook deze zaak in hoger beroep door mij glansrijk gewonnen (zie elders op deze site). De rechtbank laat geen spaan heel van het Alkmaarse vonnis. Al het jok- en giswerk van mr. A.H. Schotman wordt ontmaskerd. Twee voorbeelden:


• Daarbij worden geen namen van personen genoemd – zodat slechts voor 'insiders' duidelijk kan zijn op wie wordt gedoeld – en wordt veelal geen onnodig diffamerende terminologie – zoals fraude, zelfverrijking, toeëigening van gelden, et cetera – gehanteerd, waardoor de te verwachten gevolgen voor diegene(n) jegens wie de verdenkingen of aantijgingen worden geuit tot op zekere hoogte beperkt blijven.

• bij gelegenheid van de pleidooien voor dit hof is immers vast komen te staan dat het zogenoemde Integis-rapport, de resultante van het vervolgonderzoek naar de integriteit van het bestuur van Beter Wonen, voor het eerst (ten dele) door het bestuur is vrijgegeven op 22 juni 2012, dus nadat [appellant] in de publiciteit was getreden.

Tot slot nog een bijzonder voorval.  Bij de zitting schoof een vrouwelijke griffier aan. Deze heeft mij de gehele zitting zitten aanstaren en geen enkele aantekening gemaakt. Mr. S. Verdaasdonk, is haar naam. Bijzonder is dat bij een zoekopdracht via internet alleen mijn zaak wordt vermeld. Navraag bij de rechtbank Alkmaar leert mij dat mevrouw Verdaasdonk daar al jaren werkt. Vreemd. Waarom komt zij niet elders voor op uitspraak.rechtspraak.nl




De wonderlijke rechtswereld in Alkmaar (4)

Hoe de Rechtbank Alkmaar een verzoek van de oud-RvT van Beter Wonen om nader pleidooi niet inwilligt en daarmee de rechtsgang belemmert.

Na het tussenvonnis van 13 juli 2011 (zie dl.3), waarbij de oud-raad van toezicht grotendeels in het ongelijk is gesteld, ontspint zich een juridisch steekspel over het vervolg. Uiteindelijk dient zich een mogelijkheid aan voor nader pleidooi, ook omdat belangrijke nieuwe feiten aan het licht zijn getreden die een geheel ander licht werpen op de rechterlijke overwegingen bij het tussenvonnis en daarmee ook op het tussenvonnis zelf. 

Het betreft namelijk de Algemene Ledenvergadering van 18 december 2009, door de rechter als breekpunt beschouwd in de redelijke taakuitoefening door de oud-RvT. De oud-RvT zou de wens van de ALV tot mediation met het bestuur in de wind hebben geslagen. 
Nieuwe feiten tonen aan dat er helemaal geen voorstel tot mediation in de ALV is geweest, laat staan als wens geformuleerd of als voorstel aangenomen. Er is dus sprake van geknoei met notulen door het bestuur, ofte wel valsheid in geschrifte

De rechtbank wijst het verzoek tot nader pleidooi af en wijst op 8 februari 2012 eindvonnis. 

Analyse
1. In een uitgebreid verzoek legt de advocaat van de oud-RvT aan de rechtbank voor waarom hij nader pleidooi ten gunste van de oud-RvT wenst. De ALV van 18 december is namelijk de belangrijkste grondslag voor het tussenvonnis. Omdat de oud-RvT inmiddels kan aantonen dat van een voorstel/wens tot mediation op de ALV geen sprake was (en de rechtbank in dezen dus is misleid, bl) moet dit eerst tot de bodem worden uitgezocht alvorens definitief vonnis te wijzen. De rechtbank laat mondeling via de griffie weten dat zij het verzoek niet inwilligt, o.a. omdat partijen al voldoende gelegenheid is geboden om het woord te voeren. 
Conclusie: De rechtbank wijst het verzoek mondeling af en niet schriftelijk. Er bestaat dus geen officieel document, waarop de rechtbank kan worden aangesproken omtrent deze beslissing. 

2. De gang van zaken rond de bewuste ALV van 18 december is niet of nauwelijks aan de orde geweest in de zitting, evenmin als de redelijkheid/onredelijkheid van het optreden van de oud-RvT daaromtrent.
Conclusie: de rechtbank meent dat de oud-RvT al voldoende haar standpunt heeft kunnen toelichten, ook over een onderwerp waarover in de zitting niet uitvoerig is gedelibereerd. En dat terwijl het wel en wee rond de bewuste ALV cruciaal is voor het vonnis. 

3. Mag de rechtbank eigenlijk wel nader pleidooi weigeren? De Hoge Raad schrijft een uitspraak (zie download) over dit onderwerp:

2.4 Een niet-tijdig gedaan verzoek om pleidooi kan echter worden ingewilligd indien naar behoren wordt gemotiveerd waarom het verzoek alsnog wordt gedaan. (art. 2.9.4 Richtlijnen voor de toepassing van het Landelijk procesreglement).    

3.3.2 (.)
Ook (dus niet alleen! bl) in hoger beroep geldt
- dat partijen in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten;
- dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal mogen worden afgewezen;
- dat daartoe noodzakelijk is dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde;
- dat de rechter in elk van deze beide gevallen zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk zal moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk zal moeten motiveren, en
- dat het bepaalde in het rolreglement niet kan afdoen aan het in de wet vastgelegde recht op pleidooi en evenmin kan rechtvaardigen dat een andere maatstaf wordt gehanteerd voor de beoordeling van een verzoek om de zaak te mogen bepleiten dan hiervoor als juist is aanvaard;


3.4 Nu het hof ambtshalve het verzoek van  ... heeft afgewezen om de zaak te mogen bepleiten, kon zijn beslissing slechts zijn gebaseerd op de grond dat toewijzing van het verzoek (om nader pleidooi, bl) strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. 
Ook als het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat art. 2.9 van (de Richtlijnen voor de toepassing van) het Landelijk procesreglement deze eisen inkleurt, heeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Klaarblijkelijk heeft het hof deze bepaling dan aldus uitgelegd dat zij meebrengt dat, indien de zaak na het wisselen van de memories op de rol is geplaatst voor partijberaad, de partij die verlangt in de gelegenheid te worden gesteld de zaak te bepleiten zulks aanstonds te kennen geeft, ook als de wederpartij een akteverzoek doet voor het in het geding brengen van stukken, en dat een verzoek om pleidooi dat nadien is gedaan, slechts voor inwilliging in aanmerking komt indien het ("naar behoren") is gemotiveerd. Mede gelet op het grote belang dat partijen desverlangd gelegenheid wordt geboden voor pleidooien, is echter geen ander oordeel mogelijk dan dat de eisen van een goede procesorde niet meebrengen of rechtvaardigen dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten van de hand wordt gewezen op de enkele grond dat reeds een aktewisseling heeft plaatsgevonden nadat de zaak naar de rol is verwezen voor partijberaad. Er is onder deze omstandigheden ook geen plaats voor het stellen van bijzondere motiveringseisen aan het verzoek toegelaten te worden tot pleidooi.




Conclusie: slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag een rechtbank een verzoek tot nader pleidooi weigeren. En als zij dat doet, moet dat zij dat uitdrukkelijk vermelden èn bovendien deugdelijk motiveren. Beide heeft de rechtbank verzuimd. Of was deze zaak een zeer uitzonderlijk geval? De Rechtbank Alkmaar belemmert dus de oud-RvT in haar rechtsgang! N.B. Helaas is niet te achterhalen wie bij de rechtbank deze beslissing heeft genomen.

4. De oud-RvT motiveert haar verzoek tot nader pleidooi juist wel deugdelijk. Er is sprake van valsheid in geschrifte en dus misleiding van de rechtbank. Laat de hele kwestie van de omstreden ALV maar eens open bloot op tafel komen. Maar ook daar gaat de rechtbank ongemotiveerd aan voorbij.
Conclusie: zelfs zwaarwegende nieuwe feiten vindt de rechtbank niet belangrijk genoeg voor het toestaan van nader pleidooi. Een uiterst merkwaardige manoeuvre van de Rechtbank Alkmaar wederom.

*             *            *

Het eindvonnis in februari 2012 verschilt niet van het tussenvonnis. De oud-RvT wordt veroordeeld tot het betalen van het grootste deel van de door haar gemaakte kosten en krijgt slechts een fractie van de gevraagde urenvergoeding.
Gelukkig wordt twee jaar later dit vonnis vernietigd, als de oud-RvT in beroep gaat bij het hof in Amsterdam. (zie Oud-RvT verslaat bestuur Beter Wonen)
Kern van het arrest:

• De RvT heeft een eigen verantwoordelijkheid bij de vervulling van haar taak.
• Van een evident onzorgvuldige en onbehoorlijke taakvervulling door de RvT is het hof niets gebleken.
• Het standpunt van Beter Wonen dat € 616,- p.p. is aan te merken als redelijke jaarvergoeding, deelt het hof – 'reeds vanwege de geringe omvang van het bedrag' – niet.

Conclusie: een rechtbank velt doorgaans een oordeel dat in hoger beroep grote kans maakt om stand te houden. In dit geval is het oordeel van de Rechtbank Alkmaar vernietigend vernietigd (zie elders op deze site). 

En het zal niet de eerste keer blijken dat een vonnis in deze kwestie zo faliekant van tafel wordt geveegd,. Lees daarover in een volgende aflevering van ’De wonderlijke rechtswereld in Alkmaar’. 

N.B. Zowel het tussenvonnis als het eindvonnis is niet gepubliceerd op uitspraken.rechtspraak.nl. Toevallig of niet?